Er is vandaag veel te doen rond de plaats van kunst en cultuur in het leerplichtonderwijs. Maar de manier waarop cultuureducatie zich heeft ontwikkeld binnen het onderwijs, hangt nauw samen met de hervormingen binnen het onderwijs zelf. Joris Van Doorsselaere schetst als onderzoeker en leerkracht waar we vandaan komen. Samen kijken we vooruit naar de toekomst.
1. Hoe komt kunst- en cultuureducatie in het onderwijs terecht?
Beleidsmatig kan het internationale ‘Bamford’-rapport, verschenen in 2006, als basis en referentiepunt worden genomen. Onderzoeker Anne Bamford trachtte in opdracht van UNESCO de impact van kunst- en cultuureducatie te meten over de verschillende landsgrenzen heen en stelde daarvoor kwaliteitscriteria op. Na het verschijnen van dit UNESCO-rapport vragen verschillende landen of regio’s haar om een lokale uitdieping, zo ook Vlaanderen. Wat gebeurt er in Vlaanderen op het vlak van cultuureducatie en hoe gebeurt het, wat is de kwaliteit van de educatie, wat zijn de uitdagingen?
Bamford komt in 2007 met een nogal ontluisterend antwoord: er zijn in Vlaanderen voldoende middelen, maar de impact van kunst- en cultuureducatie staat onder druk door de versnipperde systemen. Zij noemt als belangrijkste obstakel het feit dat de Ministeries voor Onderwijs en Cultuur gescheiden zijn, waardoor elk ministerie niet alleen een eigen definitie heeft van cultuureducatie, maar ook eigen prioriteiten, doelstellingen, budgetten, … Er is weinig afstemming of samenwerking, laat staan dat er een duurzame langetermijnvisie is. De decentralisatie van de cultuureducatieve opdracht geeft scholen en directies veel autonomie, wat gezien wordt als een sterkte, maar het biedt de overheid weinig kans tot opvolging. De kwaliteit van de cultuureducatie en de plaats van de kunsten daarin zijn onvoldoende duidelijk bepaald.
In het lager onderwijs stelt Bamford een breed aanbod vast rond vijf muzische domeinen (beeld, dans, muziek, drama en media) maar daarrond wordt geen leerlijn doorgetrokken naar het secundair. Integendeel: in de eerste graad van het secundair treedt er een verenging op naar muziek en beeldende kunsten, daarna ‘verdwijnen’ kunst en cultuur in de vakoverschrijdende eindtermen (VOETen).
Bamford adviseert drie belangrijke zaken:
- Een duidelijke afbakening en definiëring van de begrippen kunst- en cultuureducatie
- Een curriculum dat opbouwt en de leerlijnen logisch doortrekt van lager naar secundair
- Een structurele samenwerking tussen Cultuur en Onderwijs, met een langetermijnvisie, gedeelde systemen voor financiering en een kader voor kwaliteitsbewaking
Commissies en actieplannen
Het rapport van Bamford is het startpunt voor de Commissie Onderwijs en Cultuur. Zij krijgt de opdracht de aanbevelingen ter harte te nemen en concrete beleidsvoorstellen uit te werken. Er is de conceptnota Groeien in Cultuur (van ministers Schauvliege en Smet) en daarna het Actieplan Cultuur en Onderwijs I en II (van ministers Crevits en Gatz).
Een belangrijk voorstel is het ontwikkelen van een referentielijn of 'doorlopende leerlijn’. Het is dit advies dat beleidsmakers over het muurtje richting Nederland doet kijken, waar op dat moment het onderzoeksproject ‘Cultuur in de Spiegel’ loopt van Barend van Heusden, met als ondertitel ‘naar een doorlopende leerlijn cultuuronderwijs’. In de daaropvolgende jaren worden nog meer pogingen gedaan om via actieplannen de beleidsdomeinen Onderwijs en Cultuur dichter bij elkaar te brengen.
2. Hoe ontwikkelt het leerplichtonderwijs zich intussen?
Parallel met deze ontwikkelingen evolueert ook het leerplichtonderwijs zelf, en dit heeft weerslag op de plaats van kunst- en cultuureducatie. Zonder te veel in detail te treden, zijn dit de grote lijnen.
Secundair onderwijs
De modernisering van het secundair onderwijs (2019) herstructureert het secundair onderwijs via een matrix in acht studiedomeinen en drie finaliteiten (doorstroom, arbeidsmarktgericht, dubbele finaliteit). In lijn met de Europese trend tot ‘competentiegericht onderwijs’ komen daar nog eens zestien sleutelcompetenties bij. Een van de competenties is ‘Cultureel bewustzijn en culturele expressie’ - een competentie met haar wortels in ‘Cultuur in de Spiegel’. De toetssteen voor dit onderwijs vormen de eindtermen (later minimumdoelen), maar in juni 2022 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat de eindtermen van tweede en derde graad te gedetailleerd zijn en het recht op vrije onderwijsinrichting in het gedrang brengen - dus worden de eindtermen herzien. Bij die herziening verdwijnt ‘Cultuur in de Spiegel’ als referentiekader uit de competentie ‘Cultureel bewustzijn en culturele expressie’.
Lager onderwijs
Het basisonderwijs vaart intussen een andere koers. In 2021-22 komt er onder invloed van inzichten uit de cognitieve psychologie en de neurowetenschappen kritiek op enkele voorgaande onderwijsvernieuwingen. Het ‘leerlinggericht leren’ komt onder druk, het idee van evidence-informed beleid en praktijk wint terrein: leerkrachten dienen zich door wetenschappelijk onderzoek te laten ‘informeren’. De aandacht voor basisvaardigheden en kennis (taal en rekenen) groeit.
In 2025 verschijnt het rapport ‘Kennisrijke minimumdoelen in het Vlaams basisonderwijs’, dat de minimumdoelen vastlegt die moeten worden behaald aan het einde van het kleuteronderwijs, in het vierde en zesde leerjaar. Het is duidelijk: er worden hogere ambities gesteld rond kennis. Ook voor de vakdiscipline Muzische Vorming worden leerlijnen opgesteld met gedetailleerde begrippen die moeten worden gekend. Enige probleem: de afstemming met het secundair onderwijs is nog niet gebeurd. De leerlijn loopt voorlopig dood na het zesde leerjaar.
Ondanks de vele commissies en hervormingen blijft het beeld hangen dat de vele onderwijshervormingen en bijbehorende jargonwissels (eindtermen, minimumdoelen, …) nooit structureel hebben ingegrepen op de oude onderwijssystemen, besluit Joris Van Doorsselaere. Politiek gezien is het duidelijk dat er vandaag opnieuw een sterkere nadruk ligt op kennisoverdracht dan op leerlinggericht leren.
3. En wat nu?
De situatie voor kunst- en cultuureducatie in 2026
Het verhaal van Van Doorsselaere schetst een helder beeld van wat voorafging. In 2026 lijkt het ondanks de inspanningen van vele commissies en expertgroepen nog steeds geen evidentie om de aanbevelingen van Anne Bamford waar te maken: een structurele afstemming tussen Onderwijs en Cultuur, een inhoudelijke langetermijnvisie en een leerlijn rond kunst- en cultuureducatie die doorloopt van lager naar secundair onderwijs. Recent werd alvast aangekondigd dat er nieuwe kennisrijke minimumdoelen voor secundair komen tegen 2029, waardoor de leerlijn vanuit het basisonderwijs alsnog zou worden verdergezet.
Van Doorsselaeres verhaal is met andere woorden geen eindpunt. Er wordt naarstig verder gewerkt. Dit jaar nog sloegen de huidige ministers van respectievelijk Onderwijs en Cultuur, Zuhal Demir en Caroline Gennez, de handen in elkaar voor de conceptnota ‘Kunst en cultuur voor elke leerling’ (maart 2026). Daarin streven ze naar een langetermijnvisie, gestoeld op drie pijlers:
- het ontwikkelen van een kwaliteitskader voor kunst- en cultuureducatie, opgesteld door een expertengroep en dat eind 2026 moet landen
- het doorontwikkelen van Cultuurkuur als het referentieplatform voor verbinding tussen de onderwijs- en cultuursector
- ondersteuningsmaatregelen voor schoolteams om, begeleid door een procesbegeleider (cultuureducator), cultuureducatieve trajecten uit te werken en onder andere een cultuurspecialist uit te nodigen op school. En ook ondersteuning van culturele organisaties bij de ontwikkeling van leermaterialen.
De figuur van de ‘cultuureducator’ als coach is interessant. Er blijkt in het veld immers een groot onevenwicht te bestaan tussen de professionele omgang van cultuurhuizen die vertrouwd zijn met educatie en publiekswerking, en scholen voor wie kunst en cultuur als ‘extraatje’ gelden (en die maar weinig vertrouwd zijn met de beleidsterm ‘cultuureducatie’).
Deze figuur biedt de kans om klein te beginnen binnen de eigen school, te kijken samen met het schoolteam waar noden en uitdagingen van de school gekoppeld kunnen worden aan de kracht en kansen vanuit cultuur om ze vast te pakken. En samen, in dat proces, komen tot een visie, verankering en een netwerk waar de school op kan verderbouwen om cultuur een vaste plaats te geven. Op schoolniveau is er voor directies en bezielde leerkrachten nog steeds veel ruimte om initiatief te nemen – de cultuureducator kan in zo’n gunstige context een bruggenbouwer zijn en, zich bewust van de verschillende realiteiten van cultuur en onderwijs, de kloof helpen verkleinen.
Meer weten?
Lees de artikels van Joris Van Doorsselaere over kunst- en cultuureducatie in het Vlaamse onderwijs.
Expeditie Onderwijs
Dit artikel vloeit voort uit een bijeenkomst van Expeditie Onderwijs, het lerend netwerk van publiq vzw over het ontwikkelen van een doordacht cultuureducatief aanbod voor scholen.
Meer inspiratie?
Een nieuw UNESCO-kader voor kunst- en cultuureducatie, wat betekent dat?
Het UNESCO Framework for Culture and Arts Education (2024) is een gloednieuw kader dat het belang van kunst- en cultuureducatie benadrukt, en dat op wereldniveau. Maar wat staat er in die tekst? En wat betekent dit voor het beleid en de praktijk hier in België?
Landschapstekening 2025: Kunst voor jonge mensen
In 2025 publiceerde Kunstenpunt een nieuwe Landschapstekening Kunsten. Een van de thematische hoofdstukken is ‘Kunst voor jonge mensen’. In dit artikel vind je een handige samenvatting van de bevindingen van Kunstenpunt.
Onderwijs als partner in crime: naar een duurzame samenwerking
Door samen te werken met scholen, laat je alle kinderen en jongeren van cultuur proeven. Maar hoe doe je dat, duurzaam samenwerken met scholen? We organiseerden er op 18 november 2024 een event over. Lees hier de voorbeelden en tips die aan bod kwamen.