Midden in de Gentse wijk de Brugse Poort staat een gebouw van de voormalige coöperatieve Vooruit. Vandaag heet het ‘de Koer’ en het vormt een unieke, noodzakelijke ontmoetingsplek in een dense volkswijk, waar grote nood is aan publieke voorzieningen en ruimte. Hoe is de Koer gegroeid, hoe werkt de Koer vandaag aan een inclusief organisatiemodel en wat zijn de interne en externe uitdagingen daarbij?
De historiek van De Koer start bij dit gebouw, dat oorspronkelijk werd opgericht als volkshuis. Toen projectontwikkelaars er huizen wilden bouwen, nam de lokale gemeenschap het initiatief om het te behouden voor de buurt (de naam van de vzw, ‘de Vergunning', weerspiegelt deze strijd). Deze sterke grassroots-wortels vormen al tien jaar het kloppende hart van het initiatief.
Inclusief organisatiemodel
In plaats van een klassieke, hiërarchische piramide kiest De Koer voor een organisch en inclusief organisatiemodel in de vorm van een roos. Van binnen naar buiten ontluikt de werking. In de kern bevinden zich de diverse werkgroepen met kunstenaars, buurtbewoners en vrijwilligers. Daar groeien de ideeën en initiatieven, van onderuit. In de cirkel rond deze werkgroepen zitten de procesbegeleiders van de Koer. Errond werken de bredere, ondersteunende domeinen (zoals gebouwbeheer en communicatie). Tenslotte bevinden zich in de uiterste schil het bestuur en de algemene vergadering. Met zo’n ‘roos’ mikt de Koer recht in het participatiedoel: iedereen die zich op de een of andere manier engageert bij de Koer, in totaal zo'n 150 mensen, behoort tot het Koervolk. Er wordt bewust geen onderscheid gemaakt in statuut; werknemers en vrijwilligers staan naast elkaar in de werking. Evengoed is de roos een metafoor voor een warme, ontluikende maar kwetsbare plek. Elk seizoen worden ideeën geboren en neemt het Koervolk afscheid van andere initiatieven.
Tussen bedenkers en beslissers
Een centraal begrip in de organisatie zijn de commons of de ‘Gedeelde Grond’: initiatieven van onderuit worden in de (decentrale) werkgroepen vertaald naar concrete acties of projecten. De projecten clusteren zich rond drie grote inhoudelijke lijnen: voeding en ecologie, beeld en klank, bouwen en ruimte. Dit fundamenteel bottom-up model vraagt een continue zoektocht naar horizontaliteit. De lijn rond bouwen en ruimte biedt daar een mooi voorbeeld van. Samen circulair bouwen was altijd al een kernactiviteit, maar bij sommige vrijwilligers ontstond de goesting om méér te doen. Hoe creëer je ruimte zodat vrijwilligers kunnen doorgroeien naar een rol in de horizontale besluitvorming, zonder dat dit wordt verwacht of verplicht? In de ‘Bouwspeelplaats’ neemt de collectieve bouwgemeenschap vandaag zelf de touwtjes in handen en brengt ze actief eigen ideeën aan. Van klussen naar mee-ontwerpen. Van koken naar mee-beslissen hoe we met voedsel omgaan.
Vrijwillig met vergoeding
Tegelijkertijd was er een moment waarop bijvoorbeeld de bouwgemeenschap veel mensen aantrok op zoek naar betaald vrijwilligerswerk, maar met minder interesse in het verhaal achter dit bouwen. Niet onbegrijpelijk. In de beginjaren had de werking weinig middelen, werd niemand vergoed en was er weinig personeel. Door het introduceren van vrijwilligersvergoedingen ontstond stapsgewijs een nieuwe dynamiek. Voor een deel van de vrijwilligers is de vergoeding een belangrijke of zelfs noodzakelijke motivatie om zich te engageren. In sommige gevallen is het voor mensen in een kwetsbare positie een voorwaarde om eigenaarschap te kunnen opnemen. Maar wie bewaart, wie bewaakt intussen ook het inhoudelijke verhaal achter de commons?
Een ding is zeker: deze uitdagingen vragen om een enorm sterk gedragen waardenkader. Juist omdat de structuur zo horizontaal is, is er een grote nood aan transparantie, heldere rollen en duidelijke afspraken rond besluitvorming. De Koer weegt voortdurend af waar het de controle kan loslaten en waar er voor bepaalde zaken toch een vorm van beslissingshiërarchie nodig is tussen bedenkers en beslissers.
Kunstenaar x bouwer
Een tweede uitdaging situeert zich op het terrein waar de ‘sector’, de wereld van de kunsten, die van de gemeenschap kruist. Hoe verzoen je de autonome, of de soms veeleisende praktijk van een residerend kunstenaar met een trage, collectieve gemeenschapswerking? Ziedaar de cruciale rol voor de procesbegeleider. Wanneer een externe organisatie of kunstenaar in residentie komt is het diens taak om zorgvuldig een 'landingsbaan' uit te rollen en te waken over de interactie met het Koervolk. Tegelijkertijd is het nog maar de vraag of die twee ‘werelden’ wel te scheiden zijn. Er zijn genoeg kunstenaars voor wie werken met gemeenschappen een intrinsiek onderdeel vormt van hun artistieke praktijk. “We blijven binair denken in twee werelden, maar er is maar één wereld,” klinkt het terecht.
Ligt de frictie niet eerder bij het grotere systeem ‘rond’ de Koer, het kunstensysteem of zelfs het kunstenbeleid dat strikte en normerende verwachtingen heeft over wat een ‘kunstenaar’ is en wat een ‘artistiek’ project is? De Koer werkt op een fundamenteel andere snelheid dan de klassieke partnerorganisaties, beleidstools en subsidiegevers, die zich vaak blindstaren op snelle output-eisen en voorspelbaarheid. Tegelijkertijd stelt de Koer daarover ook kritische vragen aan zichzelf. De Koer is een ‘rommelige’ plek, wie er terechtkomt krijgt niet direct helder zicht op wat er gebeurt. Is dat een zwakte, of eerder een sterkte? Hoe toegankelijk (ook fysiek) zijn gebouw en organisatie voor mensen die er niet mee vertrouwd zijn?
Tijd voor ontmoeting
Eén ding staat vast bij de Koer staan proces en ontmoeting centraal, geen op voorhand afgebakend product. Het neemt verantwoordelijkheid op voor de wijk door actief te zoeken naar manieren om ruimte te delen, zoals via de ontwikkeling van een buurtcafé. Ondanks de complexiteit van het doorgedreven participatief model, bewijst De Koer dagelijks dat een alternatief, op de 'commons' geïnspireerd beheersmodel wel degelijk levensvatbaar is.